De onderaardse gang naar Lysdonck

Volgend verhaal wordt al vele jaren door mondelinge overlevering doorverteld. Het wordt echter ontkracht door archeoloog Alfons De Belie. Volgens hem is de aanwezigheid van een onderaardse gang richting Lysdonck onmogelijk, gezien deze dan door de moerassen van de fondatie en heirnisse zou moeten lopen. Een onmogelijke zaak wegens de vochtige ondergrond en instortingsgevaar. Er is wel een kanaal gevonden dat als gang kon worden gebruikt om het water van de abdij af te voeren.

 

 

Onder het Baudelo-hof was een onderaardse gang die leidde naar de 'vierwiksche' in Klein-Sinaai en het Hooghuis in Kamborn. De Franse soldaten die op de vlucht waren voor de Pruisen, hielden zich schuil in die onderaardse gangen. Pastoors brachten hen eten. Na een tijd durfde niemand die onderaardse gangen nog te betreden. Het stonk er erg omdat er mensen waren in gestorven. Uiteindelijk heeft men die onderaardse gang langs alle kanten dichtgemaakt. Bij de ontbossing van Baudelo ontdekte men duizenden lijken in die gangen.

 

De volksmond beweert dat deze plek door een onderaardse
gang verbonden was met de latere abdij. Zo zou er ook een gang naar Lijsdonk
geweest zijn, waardoor men kon rijden met paard en kar. In 1197 vestigt zich hier
Boudewijn van Boekel (de Bocla), een benedictijn van de Sint-Pietersabdij te Gent,
die van zijn abt verlof had gekregen met de toelating om zich als kluizenaar te gaan
vestigen te ‘Bodelo’, tussen ‘Waas en Hartvelde’ op de grens met Stekene. Dit vertelt
althans zijn vita of levensverhaal. De geschiedkundige feiten bevestigen dit. Zeer
snel verzamelt Boudewijn rondom zich een groepje broeders die hem helpen bij de
opbouw van de eerste nederzetting. Sommigen zijn blijkbaar afkomstig uit de priorij
van Elmare - toen aan de rand van de afgrond -, onder andere Arnout van Elmare.
Zijn eerste metgezel was Willem, het prioortje, wat wijst op de jeugdige leeftijd van
de knaap. Anderen waren Hugo de Grote, Eustaas Mate, Rolinus van Lokeren...

Boudelomonument
Dat de keuze van de vestiging te Boudelo zeer nauwgezet gebeurde, wordt bewezen
door de snelle bloei van de abdij. In 1200 verwerft ze gronden om op te bouwen. De
stichting mag zich abdij noemen van zodra er twaalf geletterde monniken verblijven.
Dat moet reeds gebeurd zijn vóór 1213. Onder die monniken ontmoeten we namen
als Simon Brune, Simon Reniere, Willem van Belsele ... In 1215 neemt de abdij de
regel van Cîteaux aan. De uitbreiding van het bezit gaat zo snel, te Klein-Sinaai en
in de uithoven te Otene en te Lamswaarde (Nederland), dat rond 1260 de abdij zich
nog enkel zal bemoeien met het beheer van haar tijdelijke goederen. Het handwerk
is reeds vervangen door denkwerk en administratie.
Terwijl de abdij steeds rijker werd en vestigingsplaatsen verwierf in Gent, Hulst
en Duitsland, kende ze ook zware tegenslagen. Als partijganger van de graaf werd
ze vaak geviseerd door diens tegenstanders. Zo werd ze verwoest in 1381-82 door
de Gentenaars Van de Voorde en Ackerman, in 1452 andermaal door de Gentenaars
in hun conflict met Filips de Goede. In 1551 werd ze financieel zwaar beproefd door
overstromingen. In 1576 brandde de kerk af en die was pas hersteld wanneer in 1578
de Calvinisten de abdij grondig vernielden. De gemeenschap vluchtte naar Keulen.
Pas in 1583 keerde ze terug om zich te vestigen in het refugium te Gent waar ze de
rest van haar bestaan zou blijven tot ze in 1796 door de Fransen werd opgeheven.
Gedurende zes eeuwen van vallen en opstaan kende de abdij achtendertig abten. Om
hun goederen in Waas te blijven beheren, werd in 1660 de Boudelohoeve gebouwd
met resten van de abdij.